Haidakhan Baba Maharaj, achtergrondfoto van Masherbrum door Galen Rowell

 

 

Mahavatar Haidakhan Baba Maharaja

 

Wie was de persoon die in het Westen "Babaji" werd genoemd nadat zijn verhaal voor het eerst werd verteld in Autobiography of a Yogi geschreven door Yogananda? Eigenlijk is de naam Babaji nogal een algemene aanduiding en is door de jaren heen voor veel heiligen gebruikt. Het woord baba betekent "vader" in het Sanskriet en met het achtervoegstel -ji geeft de spreker respect aan de aangesprokene. Baba's zijn in India degenen, die op religieuze gronden de wereld verzaken, maar niet uitdrukkelijk bij een religie zijn aangesloten. Deze  Baba echter heeft vele namen, zoals Mahavatar Babaji, Haidakhan Baba of Hariakhan Baba, Babaji Maharaja (grootkoning), Shiva Baba (hetgeen zijn nauwe verwantschap met Shiva aangeeft), hij wordt ook Bhagavan Sadashiva, Sri Sadashiva, Mahamunindra en Sri Sri Baba genoemd.

 

Haidakhan Baba Maharaja is een groot heilige. Er wordt van hem gezegd, dat hij al duizenden jaren leeft en zich ophoudt in de grotten van de Himalaya's, dat hij soms onder de mensen verschijnt om een bepaald doel te verwezenlijken en dat hij vanaf de zijlijn voortdurend waakt over het welzijn van de mensheid. Hoewel veel mensen hem in de 19de en 20ste eeuw hebben gezien, is zijn verschijning altijd die van een jonge man geweest. Hij was lang en slank en had een nobele, waardige verschijning en gedroeg zich bescheiden, vriendelijk en als een kind. Zijn gelaat was licht van kleur en hij droeg zijn haar lang en soms kort. De details van zijn verschijning leken te veranderen, zelfs wanneer verscheidene mensen hem tegelijkertijd observeerden. Hij sprak weinig en at zelden, tenzij toegewijden hem voedsel gaven. Hij sliep nooit en wanneer hij op pad was, liep hij zeer snel. Zijn verschijningen en verdwijningen waren altijd plotseling en onverwacht. Zijn lichaam was enorm sterk, want mensen hebben hem grote rotsblokken zien optillen, onder andere in Kedarnath, waar hij een tempel heeft gebouwd op een hoogte van 4.500 meter. Soms werd hij aangetroffen met verscheidene Tibetaanse lama's en hijzelf droeg dikwijls een kurta (lange bloes) met een topa (Tibetaans hoofddeksel). Hij sprak een mengsel van diverse talen, waaronder Nepali, Hindi en talen uit het Kurmachal Gebergte. Wanneer hij sprak tegen iemand uit een bepaald gebied van India, deed hij dat vloeiend in hun eigen moedertaal. Niemand weet wanneer of waar hij is geboren. Hij beschikte over alle siddha's (mystieke vermogens) en bij gelegenheid voerde hij wonderen uit op een natuurlijke wijze, wanneer de omstandigheden ernaar waren. Over het algemeen echter werd de bevolking tot hem aangetrokken vanwege de zegen, die ze in zijn aanwezigheid ervoer.

 

Hij verscheen op diverse plaatsen in Noord-India in de buurt van de Himalaya's tussen 1861 en 1924. In die tijd was hij bekend onder verschillende namen in verschillende streken en de mensen hadden niet in de gaten, dat deze verschillende namen bij dezelfde persoon hoorden, totdat een man genaamd Mahendra Brahmachari in 1949 van hem een visioen kreeg. Hij werd vervolgens een toegewijde van Babaji Maharaja en heeft daarna vijfendertig jaar door India gereisd om verhalen te verzamelen over ontmoetingen met de Grote Baba. Hij heeft deze verhalen in India gepubliceerd onder de titel Punya Smriti en gebruikte daarvoor het pseudoniem Guru Charnasrit. Er bestaat ook een boek over hem getiteld Hariakhan Baba, Known Unknown geschreven door Baba Hari Dass en gepubliceerd in de Verenigde Staten in 1975 door de Sri Rama Foundation.

De verhalen die hieronder volgen zijn een selectie van de vele geregistreerde incidenten met hem, die verschillende aspecten van de grote meester vertolken.

 

Inhoud

Zijn eerste verschijning in de oerwouden van Haidakhan
Gumani wordt een ware toegewijde
Vreemde lichten verschijnen in Siddhashrama
Wonderbaarlijke verschijning Katgharia
Babaji bestraft voor zijn glimlach
De juiste manier om een heilige te ontmoeten
Babaji's Grote Discipel Lahiri Mahasaya

 

Zijn eerste verschijning in de oerwouden van Haidakhan

Rond het jaar 1890 verscheen Haidakhan Baba Maharaja op een wonderbaarlijke manier voor het eerst onder het publiek en daarna werd hij af en toe gesignaleerd tot ongeveer 1924. Vóór en na die periode bestaan er getuigenverslagen over hem, waarin hij zich hier en daar vertoont, maar meestal aan een individu of aan een kleine groep mensen. Tijdens de periode tussen 1890 en 1924 werd hij door duizenden mensen echter gezien en de wonderbaarlijke gebeurtenissen, die dagelijks spontaan om hem heen plaats vonden, werden waargenomen en overal door de mensen van die tijd genoteerd. Veel mensen denken dat hij zich permanent in de hoge bergen van de Himalaya's rond Nepal bevindt en dat hij af en toe verschijnt om een of andere bijzondere reden, die alleen aan hemzelf bekend is.

 

Aan de voeten van de Himalaya's in Noord-India liggen veel kleine stadjes en dorpen langs de vele rivieren, die vanuit de Himalaya's naar de laagvlakten van India stromen. In die tijd was het gebied verwilderd en er waren alleen kleine plekken in het bos uitgehakt, waar slechts een paar honderd mensen woonden tussen de uitgestrekte jungles en bosgebieden. Een van die dicht beboste gebieden werd de jungle van Haidakhan genoemd. Aan de zuidelijke rand van de Haidakhan jungle stond een groepje huizen, dat het dorp Haidakhan werd genoemd. Op een nacht waren de dorpsbewoners verbaasd, toen ze naar een nabij gelegen berg keken en een licht op de top van de berg zagen schitteren. Het mysterieuze licht kwam een aantal dagen lang iedere nacht terug. Daarna verdween het licht van de bergtop en verscheen vlakbij het dorp zelf.

 

De mensen verzamelden zich bij het mysterieuze licht en toen ze naderbij kwamen, zagen ze een stralend lichaam met een goddelijke luister voor zich staan. Het bleek een jonge man te zijn met een mooi, zachtaardig gezicht en een gereserveerd waardige noblesse in zijn houding. De dorpsbewoners knielden voor hem neer en verwelkomden hem met groot respect. Omdat hij door hen voor het eerst werd gezien in de jungle van Haidakhan, werd hem de naam Haidakhan Baba gegeven.

 

De bevolking wilde natuurlijk dat de heilige Babaji Maharaja bij hen in hun dorp bleef en ging op zoek naar een geschikte plek als verblijfplaats voor hem. Ze besloten hem naar het boswachtershuis te brengen en aangezien de boswachter daar zelf woonde, was iedereen het erover eens, dat Babaji daar het beste kon verblijven. De boswachter, genaamd Dham Singh, was een zeer vroom mens en raakte erg aan Babaji gehecht. Hij gaf Babaji iedere dag een ochtendmaal en omdat Babaji doodstil en bewegingloos bleef zitten, ontwikkelde hij de gewoonte om hem in zijn eigen huis op te sluiten, voordat hij naar het bos vertrok. Hij was bang, dat Babaji zijn huis zou verlaten, of dat iemand anders Babaji zou meenemen naar een andere plek. En omdat Babaji geen bezwaar tegen deze boswachter leek te hebben, maakte hij er een dagelijkse routine van.

 

Na enige tijd wilden een paar anderen uit het dorp Babaji overdag een bezoek brengen, terwijl Dham Singh zijn rondjes door het bos liep. Ze troffen het huis helemaal afgesloten aan en alle ramen waren gebarricadeerd, maar ze verbraken het slot en gingen naar binnen. Tot hun verbazing konden ze Babaji nergens vinden en vanaf die dag is hij meer dan tien jaar door niemand meer gesignaleerd. Daarna werd hij plotsling weer aangetroffen in een grot diep in de jungle van Haidakhan.

 

Babaji zat eens in de maand januari in de grot van Haidakhan te mediteren. Een paar heilige mannen hadden gehoord over de mystieke vermogens van Babaji en besloten naar de machtige yogi te gaan voor een darshan. Ze informeerden bij hem over yoga en de heilige geschriften en daarna besloten ze met elkaar om van hem een wilde vrucht, genaamd kaphal te vragen, die alleen op het eind van het voorjaar in de Himalaya's groeit en die in januari niet beschikbaar is.

Babaji ving hun gedachten op, kwam de grot uit en liep een eindje weg. Hij kwam terug met een tak vol kaphal vruchten en verdeelde ze onder de heilige mannen.

 

Gumani wordt een ware toegewijde

Aan de voeten van de Himalaya's lag op de oever van de Gautama Ganga Rivier het kleine dorp Dyola. In dit dorp woonde een ongeletterde boer, die Gumani werd genoemd. Gumani was een zeer vroom mens. Zijn vrouw verwachtte een kind, maar na de geboorte van het kind onderging Gumani een vreemde transformatie. Hij verloor al zijn belangstelling voor de wereld en zijn huishoudelijk leven en zonder het iemand te vertellen sloot hij zich aan bij een groep reizigers, die op weg was naar de stad Hardwar. Daar sloot hij zich aan bij een ashrama die door een zeer vrome sannyasi werd geleid. In de ashrama diende Gumani met grote toewijding de pelgrims, die onderweg een bezoek brachten aan de ashrama. De sannyasi die de eigenaar van de ashrama was sloeg Gumani gade en was heel blij met zijn toewijding, zijn nederigheid en zijn oprechtheid. Na enige tijd kwamen er een paar bezoekers langs, die Gumani kenden uit de tijd dat hij nog boer was. Ze herkenden hem en vertelden het hoofd van de ashrama over de situatie, die hij had achtergelaten. Zijn vrouw was heel verdrietig en had niemand om de gewassen te planten en ze had niemand die zich over haarzelf en het kind ontfermde. In India is het praktisch onmogelijk om als vrouw alleen, en zelfs niet als eenzame weduwe te leven.

 

Hoewel de heilige sannyasi erg gehecht was geraakt aan Gumani en zijn diensten, realiseerde hij zich het lijden, dat werd veroorzaakt door zijn afwezigheid, en vertelde hem onmiddellijk naar huis terug te keren. Maar nu Gumani eenmaal de stap naar zijn nieuwe leven had gezet, was de gedachte aan terugkeer erg pijnlijk voor hem. Hij huilde en smeekte om te mogen blijven, maar de heilige was vastbesloten en vertelde hem, "Gumani, ga naar huis en ga daar als kluizenaar leven. Mediteer op God en eer Hem. Je zal je guru op je eigen plek vinden".

 

In groot verdriet keerde Gumani naar huis terug en nam zijn boerenleven weer op zoals voorheen, maar met dat verschil dat zijn gedachten nu onafgebroken op God waren gericht.

 

Toen hij op een dag terugkeerde uit het veld, zag hij een lange, slanke man met een licht gelaat onder een boom naast zijn huis staan. De man strond strak naar hem te staren. Gumani ging dichter naar hem toe en zag dat hij een prachtige uitstraling rond zijn gezicht had en hele vredelievende ogen had. Gumani was bang, maar hij raapte de moed bij elkaar om te vragen, "Maharaja, wie bent u? Waarom staat u daar?"

 

De man was Babaji Maharaja. Hij wist dat Gumani bang voor hem was en daarom liep hij langzaam naar de schaduw van een andere boom. Toen herinnerde Gumani de woorden van de heilige sannyasi in de ashrama, "Je zal je guru op je eigen plek vinden". Dus Gumani knielde aan zijn voeten en gaf zich onvoorwaardelijk over aan Babaji.

 

Hij nam Babaji bij zich in huis en ging met de grootste liefde en toewijding voor hem zorgen. Zijn lichaam, geest en hart gingen totaal op in de liefdedienst voor Babaji Maharaja. Gumani bouwde een hut voor Babaji, zodat hij niet werd gestoord door de rest van het gezin.

 

In die tijd wilde Babaji niet eten, behalve de vloeibare wei, die werd bereid uit de melk die in overvloed door Gumani's koeien werd gegeven. Na enige tijd besloot Gumani ook zijn vaste voedsel op te geven en alleen op wei te gaan leven, evenals zijn guru deed. De dorpsbewoners om hem heen wisten niet wie Babaji was, maar omdat zijn spraak bestond uit een mengsel van verscheidene lokale talen, dachten ze dat hij een analfabeet was en een beetje gek was. Ze vroegen zich af, waarom Gumani zo'n idiote, ongeletterde vagebond in huis had gehaald en waarom hij zijn voorbeeld volgde door ook alleen maar wei te gebruiken. Gumani liet hun opmerkingen links liggen, maar op zekere dag vertelde hij heel gedwee aan Babaji, "Babaji Maharaja, ik blijf honger houden door alleen wei te drinken. Volgens mij moet u ook honger hebben, evenals ik. Waarom eet u geen voedsel?" Toen Babaji zijn simple taal hoorde vol toewijding, begon hij voedsel te eten om aan het verlangen van zijn toegewijde tegemoet te komen.

 

De dorpsbewoners bleven Babaji zien als een stomme, gekke analfabeet, maar naarmate ze dichter met hem in contact kwamen kregen ze geleidelijk zijn grootsheid te zien, waardoor hun houding volkomen veranderde. Ze gingen van hem houden en er kwamen mensen op bezoek in het huis van Gumani, die in het gezelschap van Babaji wilden zijn. Evenals hij in de ashrama had gedaan, ging Gumani voor al zijn bezoekers zorgen. Gumani gaf al zijn gastvrijheid aan de bezoekers en zijn vrouw besteedde een groot deel van de dag aan het koken van maaltijden, totdat van lieverlee al zijn voedselvoorraden waren uitgeput.

 

Zijn vrouw probeerde hem te weerhouden van het voeden van al die bezoekers, die naar Babaji kwamen, maar Gumani ging gewoon door alles weg te geven, dat hij had. Toen er in huis niets meer te eten was, keerde de vrouw met haar kind terug naar haar ouderlijk huis.

 

Gumani was nu alleen in huis maar hij was gelukkig, dat hij al zijn tijd kon besteden aan de dienst voor Babaji Maharaja. Ook Babaji voelde een grote liefde voor zijn toegewijde. Dit ging een jaar door en toen vertrok Babaji naar Almora. Nu was Gumani helemaal alleen in huis zonder vrouw en zonder vrienden en zonder zelfs wat voedsel in voorraad of geld om iets te kopen. Hij bracht zijn tijd door in mediatie op God en liep wat over zijn braak liggende velden te slenteren.

 

Op een dag liep hij door zijn velden heen en zag een man met een ploeg over zijn schouder lopen en werd onmiddellijk herinnerd aan de broer van de avatara Krishna, Balarama, die op dezelfde manier met een ploeg over zijn schouder loopt. Voor Gumani was iedereen God en toen de man dichterbij kwam, knielde hij aan zijn voeten met een groot respect en een diepe toewijding.

 

De man deed een stap achteruit en zei verbaasd, "Wat doe je? Ik ben een arme arbeider die op zoek is naar werk. Waarom val je aan mijn voeten?"

Gumani antwoordde, "U ben mijn Heer Balarama, neemt u mij niet in de maling. Voor mij bent u niemand minder dan God".

De man zei, "Ik heb geen huis en geen andere plek om te leven. Ik ben erg arm. Geloof me, ik zoek naar een baan".

 

Dus Gumani vroeg of de man bij hem in huis wilde komen en vertelde hem dat hij welkom was om zo lang hij wilde te blijven. Gumani had het idee dat de man in opdracht van God naar zijn huis was gekomen en bediende hem daarom met respect en een grote toewijding.

 

Het regenseizoen stond voor de deur en de man zag vanuit het huis, dat het land nog niet was geploegd en ingeplant. Hij zei tegen Gumani dat hij niet wilde blijven stil zitten en voor hem het land wilde ploegen. Gumani accepteerd zijn aanbod als de wil van God en liet hem doen wat hij wilde. Toen ploegde de man het veld en zaaide het graan. Nadat hij klaar was met zaaien, verdween hij uit Gumani's huis.

 

Toen de oogsttijd eraan kwam bleek, dat het graan, dat van zijn akker afkwam, vijftig keer de hoeveelheid was als hij in voorgaande jaren had geoogst. Het hele huis lag vol met rijst en er lag ook rijst in de schuur. Toen hij naar deze overvloed keek, realiseerde Gumani zich dat de man die zijn velden had ingezaaid niemand anders was geweest dan Babaji Maharaja zelf, die iets had willen teruggeven voor al het graan dat Gumani aan Babaji's toegewijden had besteed.

 

Toen de vrouw van Gumani over de opmerkelijke oogst in haar velden hoorde, was ze helemaal verrast en ging met haar zoon terug naar het huis van Gumani.

 

Gumani telde de jaren af toen hij zat te wachten op Babaji's terugkomst, maar na vijf jaar besloot hij, dat hij beter zelf op zoek kon gaan naar Babaji Maharaja. Dus hij vertrok onmiddellijk naar Almora en was vastbesloten om daar met hem te leven en hem voor de rest van zijn leven te dienen. Toen Gumani na vijf jaar afzondering weer met zijn meester werd herenigd, barstte hij uit in tranen en viel aan zijn voeten plat op de grond. Babaji vertelde hem dat hij juist bezig was te vertrekken voor een bezoek aan de tempel in Badrinath op een van de hoogste bergtoppen in de Himalaya's, waar ook ergens Moeder Ganga ontspringt, en nodigde Gumani uit om met hem mee te gaan. Gumani was ontzettend blij, dat hij werd uitgenodig voor een dergelijke, heilzame, religieuze pelgrimstocht en stemde meteen toe om mee te gaan.

 

Het woord over een pelgrimage was er nog niet uit, of er doken twee mannen op die vroegen of ze ook konden meegaan. Babaji stemde niet toe en weigerde ook niet, maar bleef zwijgen. Toen het tijd was om te vertrekken, liepen de mannen toch achter hen aan. Toen de weg steiler werd veranderde hij in een smal pad, totdat ze langs een lange kloof liepen met een steile wand aan de ene zijde en een diepe kloof aan de andere zijde. Babaji liep snel en liep vooraan met Gumani en de twee mannen verder achter zich. Plotseling kwam er een enorme leeuw in zicht die het pad van de drie mannen blokkeerde. De leeuw had zijn staart recht overeind staan en was woedend. De mannen zeiden tegen Gumani dat ze snel moesten teruggaan, maar zonder te kijken, of hij nog bij hen was, keerden ze zich om en renden het pad terug.

 

Gumani bleef staan en wilde liever achter zijn meester blijven aanlopen. Het duurde niet lang of de leeuw werd rustig, ging liggen en besteedde verder geen aandacht meer aan hem. Hij stapte er rustig langs zonder uit angst te aarzelen en kwam weer in de buurt van Babaji. Ze liepen het steile pad helemaal af, totdat ze eindelijk de tempel van Badrinath aan de top bereikten, waar ze hun eer betuigden, en daarna terugkeerden naar Almora.

 

Babaji vertelde Gumani nu om terug te keren naar zijn dorp en voor zijn gezin te zorgen en door te gaan met zijn meditaties en zijn verering aan God. Hoewel Gumani zijn geliefde leermeester niet wilde verlaten, voldeed hij aan zijn opdracht en keerde naar zijn huis en gezin terug. Daar voldeed hij zijn wereldse plichten en zijn meditaties, zoals hem was opgedragen. Na een jaar verliet hij zijn lichaam in vrede.

 

Door de genade van Babaji Maharaja was de ongeletterde, eenvoudige Gumani een ware toegewijde van God geworden en zijn levensverhaal en reputatie hadden zich in de wijde omgeving verspreid. De hut, die Gumani voor Babaji had gebouwd, wordt nog steeds in zijn geboortedorp in ere gehouden.

 

Er kwam een man, die goed belezen was in de geschriften, naar Babaji Maharaja, die wilde weten wat werd bedoeld met het "kosmische lichaam van God". Babaji sprak zelden en zweeg op karakteristieke wijze en bleef rustig zitten. Maar na een poosje zei hij, "Sluit je ogen en vereer God enige tijd en doe dan je ogen weer open".

De man deed zoals hij had gezegd. Hij sloot zijn ogen en mediteerde een tijdje op God en opende zijn ogen. Toen hij om zich heen keek, zag hij Babaji Maharaja overal waar hij keek en alles dat hij zag werd Babaji Maharaja. Toen zei Babaji rustig, "Niemand kan God werkelijk begrijpen door de geschriften te lezen".

 

Vreemde lichten verschijnen in Siddashrama

Behalve zijn verblijf in het gebied rond Haidakhan heeft Babaji ook enige tijd in de buurt van Almora doorgebracht. Toen hij daar was vroeg hij aan een paar leerlingen, of ze hem konden vertellen, waar hij een bron met koel helder water kon vinden. De toegewijden brachten hem naar een jungle, waar een bron langzaam welde, die druppel voor druppel een klein beetje koel water gaf. Babaji stak zijn vinger in de plek waar het water naar buiten kwam, waarna het water in een constante stroom begon te vloeien. Vanwege de schoonheid van de plek met een bron van zuiver water wilde Babaji daar een ashrama neerzetten. Een paar dorpsbewoners uit de omgeving gaven hem een stukje land en de bevolking begon zich bij de nieuwe ashrama te verzamelen, die Babaji Maharaja Siddhashram had genoemd. De toegewijden kwamen overdag bij elkaar om bij Babaji te zijn en gingen 's avonds weer terug naar hun dorp. Op zekere nacht bleef een toegewijde genaamd Siromani Pathak de hele nacht bij Babaji slapen in de hut die voor hem was gebouwd. Midden in de nacht maakte Babaji hem wakker en zei, dat hij in de richting van de bron moest kijken. Toen Siromani Pathak naar de bron keek, zag hij vier heldere vlammen bij de stroom water dansen. De hele omgeving werd door de gloed van de vlammen verlicht. De vlammen bleven enige tijd hangen en verdwenen weer. Toen Siromani aan Babaji vroeg wat dat voor lichten waren, zei Babaji dat deze plek zeer geheiligd was, waardoor verscheidene heiligen naar de plek kwamen en zichtbaar waren in de vorm van lichten. Andere mensen zeiden, dat zij ook soms vreemde lichten hadden gezien in aanwezigheid van Babaji en ze hadden het gevoel, dat het hele hoge heiligen zijn die naar hem toekomen om hun eerbied te betuigen.

 

Maharaja Sindhiya, de koning van Gwalior, nodigde Babaji eens uit op zijn paleis, zodat hij en zijn vrouw zijn darshan konden krijgen. Babaji stemde toe en de koning en zijn ministers ontmoetten hem in het huis van een pandit uit de buurt. Daarna ging Babaji naar het paleis van de koningin en gaf haar darshan in afzondering van de koning. Nadat Babaji was vertrokken wilde de koning met zijn koningin spreken over hun ontmoeting met de grote heilige. Tijdens hun gesprek was naar voren gekomen, dat de koningin Babaji had geschat rond tachtig jaar oud, maar de koning zei dat hij dacht, dat hij een kind was van elf jaar. Het was gebruikelijk dat Babaji bij verschillende mensen op verschillende manieren verscheen.

 

Wonderbaarlijke verschijning in Katgharia

Babaji Maharaja heeft enige tijd in een jungle, genaamd Kalichaur, geleefd. De jungle was genoemd naar een levensgroot beeld van moedergodin Kali, dat uit zwarte steen was gehouwen. De jungle zat vol wilde dieren, zoals slangen, tijgers en wilde olifanten. Babaji leefde in de jungle, maar ging soms langs de rivier een wandeling maken, of ging de rivier over naar een dorp genaamd Katgharia.

 

Zodra hij op pad was, ging het nieuws als een lopend vuurtje rond, dat hij er was, en begonnen mensen zich om hem heen te verzamelen. Zijn aanwezigheid vulde de omgeving met zijn zuiverheid en bovennatuurlijke vermogens. Mensen vergaten hun zorgen, pijn en ellende en werden in zijn aanwezigheid gelukkig als kinderen. Waar de bevolking ook samenstroomde, er werden spontaan spirituele diensten gehouden, zoals het zingen van bhajans, het voeden van de armen en het aansteken van een heilig vuur (yagna). Soms stroomden in Katgharia duizenden mensen uit nabij geleden dorpen toe om de spirituele festiviteiten mee te maken en weer vol vreugde en geluk naar huis terug te keren.

 

Er kwam eens een Britse bestuursambtenaar door Katgharia en zag de enorme menigte die zich rond de heilige figuur van Babaji had verzameld. Hij zag de spirituele gloed die uit het gezicht van Babaji straalde en voelde vrede en geluk in zich opwellen. Hij stapte van zijn paard en ging dichter bij staan om hem beter te kunnen zien. Babaji richtte zijn blik enige tijd op de man, die als gehypnotiseerd aan de grond stond genageld.

 

Later vroeg de man wie Babaji was en hem werd verteld, dat hij een groot heilige was, die bovennatuurlijke krachten bezat. De bestuursambtenaar was zo onder de indruk, dat hij besloot een groot stuk land in naam van Babaji te schenken. De toegewijden bouwden daar een tempel en een kleine residentie op het land. Vele jaren later, nadat Babaji niet langer in die streek werd gezien, besloot Sri Mahendra Brahmachari een grote ashrama te bouwen ter herinnering aan Babaji. Dit was de man, die alle verhalen over Babaji uit het Indiase platteland had verzameld. In 1958 was de bouw van de ashrama eindelijk voltooid en er werd een enorme hoeveelheid mensen uitgenodigd om de opening te vieren. Vroege foto van Babaji in Katgharia AshramaMensen uit India en westerse landen stroomden toe en er werd devotionele muziek gespeeld en er werden vuurceremonies uitgevoerd. Aan iedereen die aanwezig was werd voedsel uitgereikt. Toen het vuuroffer (yagna) in volle gang was en mensen liepen te zingen en zaten te eten manifesteerde zich plotseling een goddelijk licht en werd er een hemelse vorm waargenomen, die een paar tientallen centimeters boven de grond hing. Men herkende de gedaante van Haidakhan Babaji Maharaja in zijn gebruikelijke kurta met zijn topa uit de Himalaya's. Er ging een golf van vreugde door de menigte en mensen begonnen in extase te dansen. Sommigen verloren het bewustzijn door de emotionele lading van het moment.

 

Enige jaren na dit incident kwam uit de kadamba boom, waar Babaji meestal onder zat, een kleine pipal boom tevoorschijn en daarna ook nog een banyan boom. Nu groeien daar drie heilzame bomen uit dezelfde stam. Men zegt dat die bijzondere bomen de drie grote krachten van het universum (guna's) vertegenwoordigen. Deze boom wordt nu met grote overgave vereerd.

 

Er werd eens een zonsverduistering voorspeld. Vanwege deze gebeurtenis waren de meeste mensen in het kleine stadje Ranibag van plan om een bad te nemen in de Gautam Ganga Rivier te nemen, die langs de buitenwijken van het stadje liep. Toevallig was Babaji Maharaja daar ook in de buurt van de tempel van Shiva. Zoals gebruikelijk verzamelde zich weer een grote groep mensen, die allemaal een kans wilden hebben om deel te nemen aan het ceremoniële bad samen met Babaji tijdens de zonsverduistering. Een andere groep had reeds het plan opgevat om in Kurukshetra te gaan baden, waar lang geleden de beroemde strijd heeft plaats gehad, die in de Mahabharata wordt beschreven. Die plek was zelfs heiliger gemaakt als de plaats waar de avatara Krishna zijn gesprek heeft gevoerd met zijn vriend, Arjuna, zoals staat beschreven in de Bhagavad Gita. Uiteindelijk bleef een deel van de groep in Ranibag en de anderen gingen naar Kurukshetra. Toen het moment van de zonsverduistering aantrad, was de groep, die in Kurukshetra zat, verbaasd en verheugd om Babaji in hun midden te zien, die samen met hen een bad nam in de Ganges.

 

Toen de groep in Ranibag was teruggekeerd, waren ze verrast te zien dat Babaji Maharaja alweer vanuit Kurukshetra was gearriverd. Ze vroegen de anderen wanneer hij was teruggekomen en hen werd verteld dat hij nooit was weggeweest. Hij was in Ranibag gebleven om met de bevolking, die was achtergebleven, een bad te nemen. Zo zijn ze erachter gekomen dat hij beide groepen een plezier had gedaan door tegelijkertijd in twee plaatsen aanwezig te zijn.

 

In 1911 ging Babaji Maharaja naar de stad Prayag en werd door veel mensen gezien, toen hij een bad nam in de rivier bij een van de openbare badplaatsen (ghats). Een fotograaf, genaamd Sorabji, nam twee foto's van hem toen hij daar was. Tot ieders verbazing zag iedereen, nadat de foto's waren ontwikkeld, dat Babaji op één foto zijn kurta met Tibetaanse topa draagt, en op de andere foto helemaal geen kleding draagt. En dat, terwijl beide foto's op hetzelfde moment zijn gemaakt. De twee foto's worden hieronder afgebeeld.

 

           Beide foto's tegelijkertijd genomen in Prayag             Beide foto's gelijkertijd genomen in Prayag

 

 

Babaji bestraft voor zijn glimlach

Tijdens de zomer van 1914 had Babaji Maharaja zich opgegeven om te helpen met de bouw van een paar militaire barakken in het gebied van Ranibag. Hij is dikwijls gezien bij werkzaamheden van dergelijke projecten als een gewone arbeider. De werkmensen droegen stenen op het hoofd en verplaatsten het bouwmateriaal met de hand.

 

Op dat moment kwam toevallig de minister van onderwijs, ene Pandit Jwala Datt van Almora, in zijn paardenkar langs op zijn terugweg naar huis. Toen hij langs de rij arbeiders reed, zag hij een van de mannen naar hem glimlachen. De man voelde zich zwaar beledigd, omdat zomaar een arbeider zich zo familiair gedroeg tegen een man van zijn positie. Dus hij gaf zijn secretaris opdracht de arbeider te vertellen, dat hij voor zijn grove gedrag zou worden gestraft. De secretaris ging naar de arbeider, die natuurlijk de heilige Babaji was en die totaal onberoerd bleef. Hij vertelde de secretaris dat hij had geglimlacht, omdat de bel van de tempel in Badrinath naar beneden was gevallen en dat een groot aantal mensen bezig was hem weer op te hijsen, maar dat het niet lukte. Pandit Jwala Datt werd nog kwader bij het horen van dit verhaal en beloofde dat hij zijn straf tot uitvoering zou brengen, als bleek, dat het verhaal een leugen was. Dus hij stuurde een telegram naar het verre Badrinath om erachter te komen of het inderdaad was gebeurd. Het antwoord kwam terug en bevestigde dat de bel inderdaad was gevallen en dat mensen bezig waren hem weer op zijn plek terug te hangen.

 

Pandit Jwala Datt werd door deze ervaring vernederd en was verbijsterd over de kennelijke alwetendheid van de heilige, die zich als een gewone arbeider voordeed. Dit incident heeft zijn kijk op het leven volkomen veranderd. Voordien was hij geleerd geweest maar egoïstisch. Nu was hij nederig geworden en werd toegewijd aan Babaji. Hij bracht de rest van zijn leven door in religieuze overgave.

 

Babaji nam een baan als arbeider toen de stuwdam van het meer Bhim Tal werd gebouwd. Er waren voorheen verscheidene pogingen ondernomen om op die plek een stuwdam te bouwen, maar die waren allemaal mislukt. Deze keer echter, nu Babaji aanwezig was, was de bouw geslaagd. Enige tijd heeft niemand zijn identiteit geweten, maar na een poosje herkenden een paar mensen hem als de beroemde heilige en kort daarna is hij verdwenen.

 

De juiste manier om een heilige te ontmoeten

Vlakbij Nainital aan de voeten van de Himalaya's ligt een meer genaamd Khurpatal. Aan de rand van het meer was een dorp ontstaan en de bevolking daar legde tuinen aan en verkocht haar produkten in het nabijgelegen Nainital. Babaji Maharaja verbleef zo nu en dan in dit rustige stadje aan het kalme meer, waar de bevolking uit de omgeving hem kwamen bezoeken om te genieten van de zegeningen van deze nobele en liefdevolle aanwezigheid.

 

Toen hij daar weer eens was, kwam een goed onderlegde jonge man van zijn aanwezigheid op de hoogte en vroeg zich af wie hij was. Het was bekend, dat Babaji onverwacht aan mensen was verschenen op diverse plaatsen, op uiteenlopende tijdstippen en met verschillende tussenpozen. Men geloofde dat hij eeuwen oud was en een paar mensen dachten zelfs, dat hij al duizenden jaren op Aarde aanwezig is geweest. Deze man had gehoord, dat Babaji aanwezig was bij de strijd van Kurukshetra, die meer dan 5.000 jaar geleden heeft plaats gehad. Hij redeneerde, dat Babaji zowaar Asvathama moest zijn, een van de onsterfelijke krijgers, die aan de strijd hadden deelgenomen. In de Mahabharata staat, dat Asvathama bovenop zijn hoofd werd verwond en de man trok daarom de conclusie, dat dit waarschijnlijk de reden was, waarom Babaji Maharaja meestal werd gezien met een Tibetaanse topa op zijn hoofd of met een ander hoofddeksel.

 

De man was helemaal opgewonden en wilde zijn theorie bewijzen, dus hij ging naar Khurpatal en ging op zoek naar Babaji. Zodra Babaji de man zag aankomen, zei hij hem dat het erg warm was en dat hij in het koele water van het meer ging baden. Dus hij verzocht de man hem te helpen met het dragen van zijn spullen naar de oever van het meer. De man was heel blij, omdat hij wist dat Babaji zijn topa zou afzetten, voordat hij het water zou ingaan en op die manier kon hij zijn vermoedens verifiëren.

 

Toen ze aan de rand van het meer stonden, vroeg Babaji aan de man of hij hem wilde helpen zijn kleren uit te trekken. Toen de man Babaji aanraakte, werd hij vervuld met een onuitsprekelijke zegen. In een extatische stemming hielp hij Babaji het water in te gaan, baadde hem en droogde hem daarna af en kleedde hem weer aan. Toen ze terugkeerden naar de hut, waar Babaji verbleef, realiseerde de man met groot ongenoegen, dat hij in zijn zegenrijke opwinding helemaal had vergeten om naar de littekens op het hoofd van Babaji te zoeken.

 

Maar Babaji kende zijn gedachten allang en zei met grote gelijkmoedigheid tegen de man, "Waar je ook een heilige of een grote spirituele ziel ontmoet, doe dat dan met grote devotie en groot vertrouwen. Als je twijfels hebt, vraag hem om opheldering. Alleen degenen die door God zijn gezegend, kunnen een heilige herkennen. Degenen met een zuiver hart en degenen die nederig en zonder ego zijn, krijgen de zegen van heiligen."

 

De man realiseerde zich toen de alwetendheid van de heilige en werd spoorslags een ware toegewijde.

 

In de winter van 1952 leefde Baba Hari Dass in een kamer, die tegen een grot was aangebouwd, vlakbij een begraafplaats, genaamd Ghati. De kamer was in de winter erg koud en daarom hield hij een vuur in de grot aan en mediteerde hij vlakbij het vuur. Toen hij eens zat te mediteren, verloor hij zijn bewustzijn en viel zijn lichaam naar links, waarbij zijn arm in het vuur viel. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, zag hij de lange figuur van Babaji Maharaja, die over hem heen boog en zijn arm uit de buurt van de vlammen legde. Zonder een woord te zeggen keerde Babaji zich om en ging er weer even snel vandoor als hij was gekomen. Baba Hari Dass sprong onmiddellijk om Babaji te zien en aan zijn voeten te vallen, maar toen hij buiten kwam was Babaji al verdwenen.

 

Babaji's Grote Discipel Lahiri Mahasaya

Een van de vroegste verschijningen van Babaji werd gedocumenteerd door een van zijn belangrijkste discipelen, de grote heilige en yogi, Sri Shayama Charan Lahiri Mahasaya. Lahiri Mahasaya werd geboren in 1828 en toen hij opgroeide leerde hij diverse talen, waaronder Sanskriet. Als jonge man bestudeerde hij nauwgezet de veda's en luisterde gretig naar de gesprekken van geleerde brahmins. Lahiri had vollop goede kwaliteiten en iedereen in zijn omgeving mocht hem graag. Op de leeftijd van 33 jaar was hij getrouwd, kreeg een functie bij de overheid en ontving een bericht, dat zijn hele leven heeft veranderd. Hij moest zich stationeren in de stad Rhanikhet, die aan de voeten van een van de hoogste pieken van de Himalaya's ligt, Nanda Devi. Toen hij daar eenmaal was, werd hij onmiddellijk ontroerd door de schoonheid van de heuvels in de Himalaya's en ging 's avonds wandelen in de uitgestrektheid van de bergen.

 

Op een dag toen hij aan het wandelen was hoorde hij zijn naam roepen en volgde de stem helemaal naar boven, waar een open plek in het bos was in de buurt van kleine grotten. Daar zag hij Babaji Maharaja, die hem familiair bij zijn naam begroette en hem na zijn lange afwezigheid verwelkomde. Hoewel Lahiri niet wist wie hij was, voelde hij zich wel tot zijn aanwezigheid aangetrokken. Babaji legde uit, dat hij in een voorgaand leven van Lahiri zijn guru was geweest en dat Lahiri zijn vergevorderde leerling was geweest, die onder zijn leiding tientallen jaren had zitten mediteren in een van de grotten, die rondom de bergweide lagen. Met een tikje op zijn voorhoofd wekte Babaji zijn geheugen op van het voorgaande leven, dat ze samen hadden doorgebracht. Toen trok Babaji in hem op naar de hoogste staat, of nirvikalpa van samadhi, waarin de individuele golflengte opgaat in de universele oceaan van bewustzijn, waardoor de staat van kosmische gewaarwording wordt bereikt. Lahiri bleef gedurende zeven dagen in een onafgebroken staat van samadhi en daarna bracht Babaji hem terug naar zijn menselijke bewustzijn en legde hem uit, dat Lahiri Mahasaya zijn huidige geboorte met een doel had genomen en dat hij instrumenteel zou zijn in de verspreiding van de leer van yoga – hereniging met God – aan de rest van de wereld buiten de grenzen van India.

 

Lahiri Mahasaya werd de taak gegeven om het voorbeeld neer te zetten van de ideale yogi die huisvader is, een baan heeft, een gezin heeft en in de wereld leeft, maar toch in kalme toewijding verzonken blijft in de zegen van zijn innerlijke gewaarwording. Het aroma van zijn spirituele grootheid heeft tientallen volgelingen aangetrokken. Lahiri ontwikkelde spontaan diverse siddhi's, mystieke vermogens, en deze versterkten het vertrouwen en de toewijding van al zijn leerlingen nog meer.

 

Volgens Babaji was Lahiri Mahasaya een instrument om het Oosten en het Westen samen te brengen. Dit heeft hij bewerkstelligd via zijn rechtstreekse discipel Sri Priya Yukteshvar Giri, die op zijn beurt de guru was van Paramahamsa Yogananda, die in het Westen bekend is geworden als de auteur van Autobiography of a Yogi. De discipel, Sri Yukteshvar, schreef een verhandeling, die de parallellen aantoont tussen de christelijke (westerse) en de hindoeïstische (oosterse) religies. Op aandringen van Sri Yukteshvar is Paramahamsa Yogananda op zijn beurt naar het Westen gegaan, naar Californië, en heeft grote delen van Amerika geïntroduceerd in de oosterse yogaleer van eenheid met God, onafhankelijk van een specifieke religie. Op die manier werd het pragmatische Westen samengesmolten met het spirituele Oosten. Dit werd allemaal voorspeld door Babaji tijdens zijn eerste ontmoeting met Lahiri Mahasaya in 1861.

 

Inleiding © Galen Rowell – www.cosmicharmony.com
Tekstfragmenten en fotomateriaal © 1975 Baba Hari Dass, Hariakhan Baba, Known Unknown
Bewerking en vertaling © 2009 I. Dasi – www.vrajabhakti.nl

 

 

Krishna  |  Shiva  |  Tempeldans

De Wereld Voorbij